16. Opzegging

  1. Indien voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst opzegging noodzakelijk is, geldt voor werknemer en werkgever een opzegtermijn van 2 maanden. In onderling overleg kunnen werkgever en werknemer een andere opzegtermijn overeenkomen, waarbij tenminste 1 maand in acht wordt genomen. Dit in afwijking van artikel 672 BW.
  2. Voor overeenkomsten met een duur van een jaar of minder geldt een opzegtermijn van één maand.
  3. Indien het dienstverband 5 jaar of meer heeft geduurd, maar korter dan 10 jaar, zal ongeacht een eventuele overeengekomen kortere opzegtermijn in geval van opzegging door werkgever en werknemer een opzegtermijn van 2 maanden in acht worden genomen. Indien het dienstverband 10 jaar of langer heeft geduurd, zal door werkgever en werknemer in geval van opzegging een opzegtermijn van 3 maanden in acht worden genomen.
  4. Opzegging dient steeds schriftelijk te geschieden bij brief aan de andere partij. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand met inachtneming van de in deze cao geregelde opzegtermijn.
  5. De werkgever is verplicht uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt, de werknemer hierover schriftelijk te informeren. Daarbij moet de werkgever aangeven of de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet of niet. Indien de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet moet worden aangegeven onder welke voorwaarden.
    Deze verplichting geldt niet als de arbeidsovereenkomst korter dan 6 maanden heeft geduurd.
  6. Wanneer de werkgever niet aan het in artikel 16.5 gestelde voldoet, is hij verplicht om aan de werknemer een vergoeding te betalen. Deze vergoeding bedraagt een maandsalaris. Indien de mededeling te laat is gedaan, dan wordt de vergoeding naar rato verminderd. Een eventuele vordering vanwege het niet (tijdig) in acht nemen van de aanzegtermijn moet binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd ingesteld worden bij de kantonrechter.
2015-02-24T16:33:30+00:00